De roomkleurige limousine die Thomas de Bruin en zijn zusje Annie kwam ophalen, was de langste die hij ooit gezien had. Wel een schoolbus lang. De bestuurder droeg een mosgroen uniform met pet, maakte een buiging en noemde hen meneer en mevrouw De Bruin. Daar moesten ze allebei gul om lachen. Van binnen was de auto nog mooier. De roodleren bekleding blonk als een gepoetste appel, een pluizig, hoogpolig tapijt bedekte de vloer. Er waren zoet geurende bloemen, kleine zwarte ijskastjes vol frisdrank, snoepgoed en ijslolly's. Televisieschermen klapten uit het plafond omlaag en de voorwand van de cabine bevatte een uitschuifbaar toetsenbord met een ingebouwde computer. Thomas probeerde meteen of hij het internet opkon, maar er was een storing, ook bij de TV's. Hij tikte tegen de donkere ruit die hen van de bestuurder scheidde. Die gleed meteen omlaag.
    "D-d-d-d- ...," begon hij, niet in staat om de eerste medeklinker voorbij te komen. Dus wees hij op het scherm.
    "O, ja. Dat spijt me nou, meneer De Bruin," zei de chauffeur. "Er is weer eens een stroomstoring. Kan zo over  
zijn. Er liggen daar trouwens een heleboel films. U hoeft zich niet te vervelen."
    Thomas knikte. De ruit gleed weer omhoog. Annie zat al met een schoot vol dvd-hoezen, die ze een voor een opzij smeet tot ze een tekenfilm over bevers vond.
    "Knijntjes!" riep ze verheugd, in de overtuiging dat alle harige, geen kat of hond zijnde dieren konijnen moesten zijn.
    "Kijken, Thomas, meteen."
    Met een zucht gaf Thomas toe. Hij was slecht geluimd. De limousine ging hen naar de president van het land brengen, als onderdeel van een prijs die ze gewonnen hadden in de Nationale Wedstrijd voor Kleine Redacteuren.    
    Hij staarde uit het raam. Een vrijdagmiddag, de auto kroop door het centrum van de stad, zich bijkans een weg wurmend door de kudde voetgangers. Thomas wilde hier niet zijn. Het vooruitzicht de president te ontmoeten kon hem niets schelen. Weer zo'n volwassene. En hij was niet in de stemming voor volwassenen. Ze waren zijn hart aan het breken.

Thomas was een boze jonge man. Heel boos en heel jong. Hij was zeven, bijna acht, en had grote problemen. Zijn grootste probleem was zijn kleinte. Ondanks zijn gevorderde leeftijd leek hij nog maar vijf. Volwassenen en andere kinderen behandelden hem als een peuter. Dat haatte hij. Daarom was hij ook het liefst alleen. Zijn tweede probleem was zijn gestotter. Hij praatte moeilijk met anderen. Niet omdat hij dom of onwetend was. Integendeel. Hij was juist heel pienter. "Onze kleine Einstein", noemde zijn moeder hem spottend, omdat hij vaak de juiste antwoorden naar de tv riep als er een quiz aanstond. Nee, hij stotterde vooral omdat hij zó veel wou zeggen dat hij nooit wist waar te beginnen en helemaal in de war raakte en begon te stotteren en te blozen. Vreemd genoeg gebeurde het alleen als hij een beetje nerveus was. Ontspannen of hevig opgewonden praatte hij vloeiend genoeg. Jammer genoeg was hij meestal een beetje nerveus, vooral tussen vreemden.
Zijn onmacht te praten had hem tot schrijven gebracht, wat hem goed afging. Woorden fascineerden hem. Als andere kinderen computerspelletjes deden en tekenfilms bekeken, verdiepte hij zich in woordenboeken, waardoor hij grote mensen geregeld kon verbluffen met zijn ongebruikelijke woordkeus.

Zijn woede was een dieper probleem. Een binnenbrand, sluimerend, maar soms zo furieus oplaaiend dat hij ervan schrok. Zijn toorn had vele redenen. Dat hij een stotterende dwerg moest zijn, natuurlijk. Het probleemgezin waartoe hij behoorde. Geen vader, een onplezierig gestoord zusje en een zeer onmoederlijke moeder. Soms betwijfelde hij zelfs of hun moeder hun moeder wel was. Een afstandelijke, bijna schimmige, zoetig geurende vrouw die alsmaar kwam of ging. Ze zei dat ze zijn moeder was, maar liet daarvan weinig merken. Ze deed nooit iets aan het huishouden of in de keuken. Daar hadden ze een schuw, Marokkaans meisje voor.

Maar het ergste van alles, verreweg, was dat hij de afgelopen week overdonderd was door het vreselijke vooruitzicht dat hij zijn eigen kleine paradijs zou verliezen. Zijn magische vijver. De gedachte alleen al deed zijn ogen schrijnen.

De limo stopte. De chauffeur hield de deur open en vroeg ze uit te stappen. Annie weigerde. Ze wilde het gedoe van haar waterknijntjes blijven volgen. Toen Thomas probeerde de afstandsbediening te grijpen, gaf ze hem een venijnige schop.
    "Kom op nou Annie," zei Thomas, wrijvend over zijn gehavend scheenbeen. "Je kan straks weer naar je konijnen kijken. Ik hoor dat de president een heleboel ijsjes heeft."
    "Echt waar?"
    "Ja."
    "Goed dan." Ze schakelde de tv uit en volgde Thomas de auto uit.
    Ze stonden onderaan een monumentale trap, die omhoog leidde naar een groot wit gebouw. Om hen heen stonden wat mensen. Een stuk of twaalf, vooral mannen maar ook twee vrouwen. Ze droegen allemaal naamplaatjes. Thomas herkende een van hen van de tv. Harm Harmsen. Een vermaard journalist en redacteur van een bekende krant. Eigenlijk een soort collega.
    Een jongeman, die al zijn tanden bloot grijnsde, kwam de kinderen met uitgestrekte armen tegemoet. "Ahaa," riep hij uit. "Onze kleine redacteuren."
    Hij gaf ze allebei een natte, slappe hand. Annie trok een vies gezicht en veegde haar handje af op haar jurk. De man vermeed oogcontact. Thomas mocht hem gelijk niet.
    "Dames en heren," zei de man, zich tot de anderen wendend. "Mag ik u voorstellen? Uw toekomstige collega's. Deze twee hummels zijn dit jaar de winnaars van de Kleine Redacteurenprijs."
    De anderen reageerden met gegrijns en een bescheiden applaus. Harm Harmsen maakte zelfs een kleine buiging in hun richting.
    "Jullie boffen," zei hij. "De president is naar zijn buitenverblijf. We worden erheen gevlogen per wentelwiek."
    Een verbaasde Annie draaide zich om en gaapte Thomas aan.
    "Een helikopter, Annie," legde hij uit. "Een soort vliegmachine."
    "O," zei ze, zichtbaar teleurgesteld en begon rond te kijken naar knijntjes.

Thomas had nog nooit in een helikopter gezeten. Normaal zou hij opgetogen geweest zijn. Nu niet. Zijn vijver ging eraan. Het einde van zijn deel van de wereld. Het ging hem door merg en been. Hij adoreerde zijn vijver. De kleine poel die hij ontdekt had, op een kwade dag aan het einde van de vorige winter, aan de rand van de stad, net voorbij de landingsbanen van het vliegveld achter een vervallen hangar. Destijds was de plek een puinhoop geweest. Op het oog niets anders dan een zompige, stinkende vuilnisbelt. Rommel. Allerlei afval, kartonnen dozen, planken van verweerd hout, een gedeukt vat waaruit een onooglijk groen slijm droop. Een metalen matras. Een paar verroeste fietsen. Gebroken flessen, vellen verpulverend papier en een samenraapsel van stukjes en beetjes plastic. Maar bij nader onderzoek ontdekte Thomas dat het reuze meeviel. Er lag een echte vijver onder de rommel. Er leefde zelfs een pad, groot en heel traag, een beetje griezelig met een slijmerige huid maar prachtige, bijna gouden, ogen. En er was een boom, een benepen wilgje, en wat struiken, platgedrukt maar nog altijd groeiend.
    Hij begon een grote schoonmaak, besteedde hele dagen aan het wegslepen van het afval. En na een paar weken, toen de winter in de lente overging en de planten uit de aarde puilden, veranderde de vuilnisbelt in een echte oase. Als bij toverslag verschenen er wat visjes in het water en hij hoorde ook maar zag nooit twee kikkers. De pad bleef groot en traag en de wilg wat benepen, zonder al te veel blaadjes, maar de takken en twijgen waren lang en elegant en sliertten in de wind. Planten verrezen overal rondom het water. Sommige met hele grote bladeren, onkruid, maar daarom niet minder mooi. Lange gracieuze varens. Hij kocht wat sierstruiken. Geld was in ieder geval geen probleem. Zijn moeder geloofde heilig in het omkopen van haar kroost. De minste neiging tot opstand werd meteen de kop ingedrukt met bankbiljetten, die door de kamer fladderden. Thomas kon zo'n beetje alles kopen wat hij wou. Helaas waren de meeste dingen die hij wilde niet te koop.

En daar, op een mooie zomerdag, werd hij gevonden door Gwen, een libel. Maar geen gewone libel. Tussen de andere libellen was ze als een diamant tussen kiezelstenen. Thomas zat juist stilletjes te zitten, gezicht omhoog gewend naar de zon, badend in de lauwe stralen, toen hij een zacht snorren hoorde, als het gespin van een kitten, gevolgd door een hele lichte beroering van zijn knie. Toen hij zijn ogen opende, zag hij haar, geland op zijn naakte knieschijf. Een grote libel, zeker twintig centimeter lang, in een gloed van rode tinten. Er was scharlaken en karmozijn, oranje en roze, en alle schakeringen daar tussenin, flikkerend in het licht. Een levende robijn. Haar vleugels fijn als spinrag, helder als kristal. Haar hoofd geleek een helm, glanzend als chroom. Thomas dorst amper ademhalen terwijl hij het magnifieke schepsel vlak voor zijn ogen bekeek. Een naam kwam bij hem op. Gwen. En hoewel hij dat onmogelijk kon weten, wist hij dat ze vrouwelijk was. Haar doorschijnende vleugels trilden lichtjes. Plots besefte hij dat ze een buitenaards wezen zou kunnen zijn, wanhopig op zoek naar contact met de mensheid, maar te klein om opgemerkt te worden. Hij bekeek haar nog aandachtiger, wachtend op denkgolven die van haar naar hem zouden vloeien, met de wetenschap wat ze dacht, voelde, wilde. Hij wachtte minutenlang. Er gebeurde niets. Des te beter, dacht hij en grijnsde. Die minimale beweging was genoeg om haar te verstoren. Ze steeg op. Met snorrende vleugels hing ze heel even boven zijn knie voordat ze wegdeinsde, hem achterlatend met een gevoel van diepe, ongekende vreugde.

De helikopter die op het gazon stond, leek wel wat op een grof, lelijk namaaksel van een libel. Thomas herkende het toestel als een Super Comanche UHG-4, een vliegende tank omgebouwd voor de burgerluchtvaart. De kleur was gebroken wit. Toen de journalisten aan boord gingen, glipte hij naar voren om een stoel aan het raam te bemachtigen, voor het geval dat ze over zijn vijver zouden vliegen.

Dat deden ze. Met een brok in zijn keel keek hij omlaag naar de kleine ovaal, lichtblauw, een spiegel van de hemel, omzoomd met groen, een druppeltje leven aan de rand van een doodse zandvlakte. Een enkele knalgele vrachtwagen reed richting vijver, als een boosaardig insect. Thomas voelde zich wee worden. Binnen enkele dagen zou die levenloze woestenij zijn paradijsje bedekken. Als een grafzerk. De gedachte was ondraaglijk. Folterend. Hij sloot zijn ogen, haalde diep adem tegen de pijn.

    "Het spijt me, knul," had de bestuurder gezegd. "Dat noemen ze nou de vooruitgang. De stad moet groeien."
    "Maar mijn vijver is zo mooi. En zo klein. Kunt u er niet gewoon omheen gaan?"
    "Ik deed het meteen als het kon. Zo waar als ik hier sta. Ik ken het gevoel, knul. Wij zijn pas geleden nog een speeltuin kwijt geraakt. Precies zo. Maar ik heb niks te zeggen. Het is de stad. Die moet groeien."
    Dat was alles. De vrachtrijder, een boom van een kerel met angstaanjagende tatoeages en griezelig grote piercings maar een joviale grijns, gaf Thomas een schouderklopje en klom terug in de cabine van zijn monumentale truck, Thomas geen andere keus latend dan droefgeestig terug te dwalen naar zijn vijver.

Dat was nog maar vier dagen geleden. Vier lange, ellendige dagen. En nou deze onzin. Wat kon het hem schelen dat hij een kleine redacteur was? Hij zou wel tien prijzen geven om zijn vijver te redden. Maar wacht eens .... Wat als hij het aan de president vroeg? Dat was een idee! De president was belangrijk. Mensen moesten doen wat hij zei. Hij zou het kunnen vragen. Dat kon geen kwaad. Ook al wist hij, diep van binnen, wat het antwoord zou zijn. Zijn vijvertje ging eraan. De stad zou het smoren. Zelfs een president was niet machtig genoeg om de stad te stoppen. Hij moest een ander plan hebben. De dieren redden. Dat was te doen voor de vissen, kikkers en pad, zodra hij een plekje had om ze heen te brengen. Maar wat moest hij met Gwen? Hoe kon hij die vangen zonder haar vleugels te beschadigen? Ze leken zo kwetsbaar. Hij zou zichzelf nooit vergeven.
    De rest van de vlucht peinsde hij over het probleem. Hij merkte nauwelijks iets van de vlucht. Alleen toen ze begonnen te dalen, besefte hij hoe rustig en stil de reis geweest was.

De helikopter landde halverwege een groene heuvel, aan de overkant van de rivier. Toen Thomas uitstapte, keek hij als vanzelf achterom, maar hij kon zijn vijver niet meer zien. De stad was gehuld in een vage, smoezelige nevel, alsof het uit een bedorven, walmende brei oprees. Erboven, besmeurd, als een vale maan, hing de zon. De smerige stad. Het gezwel. Thomas vloekte binnensmonds.
    "Tommy!" De stem van zijn zuster, schel, uitzinnig bijna.
    Hij ging snel naar haar toe.
    Ze pakte zijn hand.
    "Krijg ik nu mijn ijsje?" vroeg ze.
    Hij knikte. De kleine groep beklom de heuvel, naar een ander groot wit huis, een evenbeeld van het gebouw dat ze achter zich hadden gelaten. Een border van hoge, uitgebloeide rozen, wit en rood, verfraaide de voorgevel. Aan weerszijden verdween de gevel in hoge, donkergroene struiken, rododendrons, ook met rode en witte bloemen die aan het einde van hun bloei waren en hun blaadjes een voor een lieten vallen. Grote, breedgeschouderde mannen in kostuums slenterden rond, automatische wapens zo onopvallend mogelijk bungelend op hun rug.
    "Waar is al die beveiliging voor nodig?" vroeg iemand.
    Er kwam geen antwoord.

Toen ze in de buurt kwamen van de treden die omhoog leidden naar het gebouw, kwam een jonge vrouw naar buiten draven. Ze droeg een grijs, tweedelig mantelpak, met een strakke rok, die haar dwong korte, snelle stapjes te maken. Ze grijnsde breeduit, maar maakte op Thomas dezelfde indruk als zijn moeder, als die een hele nacht uit geweest was: lusteloos, vermoeid, nors. De vrouw groette hen koeltjes en leidde hen naar de zijkant van het huis waar een met glas afgeschermd terras uitzicht bood op een breed gazon dat geleidelijk omlaag glooide naar een enorme beuk, die ieder zicht op de stad wegnam.
    "Als u hier wilt wachten, ga ik iemand halen om u iets te drinken te brengen," zei ze, op weg naar een zijdeur.
    "Wat is er aan de hand, Penny?" vroeg Harmsen.
    Ze draaide zich om, grijnzend, weer iets te breed, vond Thomas.
    "Niks bijzonders Harm. Gewoon een klein probleempje met een personeelslid."
    "Ach zo," zei Harmsen, met een vreemde bijklank die Thomas niet begreep.
    "A propos," zei de vrouw, "Het is misschien beter als jullie dit terras niet verlaten."

Iedereen ging zitten, ver uiteen. Sommigen hadden laptops, die ze openklapten. Annie rukte zich los van Thomas en draafde weg, glipte ongezien achter een van de veiligheidsmensen langs. Thomas kon het niet opbrengen haar achterna te gaan. Ze ging trouwens zelden ver.
    Hij zocht een plekje in de buurt van meneer Harmsen, die naar hem grijnsde.
    "Nog steeds geen signaal," zei een van de vrouwen achter haar laptop.
    "De langste storing die ik ooit gezien heb," zei iemand anders.
    "Is het trouwens niet vreemd dat alleen de communicatie weigert? Andere dingen lijken prima te werken."
    "Dat moet je mij niet vragen. Ik ben geen techneut."

Thomas hoorde de woorden maar luisterde niet. Het was bijna alsof hij in een glazen bol zat, afgezonderd van de anderen, alleen met zijn zorgen. He was zo dol op zijn vijver. Zijn eigen wereldje. Oase. De hoge varens die hem beschutten. De zwierende wilg. De geuren. De tere klanken die hoorbaar werden als het geraas van de landende vliegtuigen even verstomde. Hij hield vooral van het geluid van kabbelend water, van de kleine beek die hij had aangelegd door een pomp aan te sluiten op de elektrische leiding van de hangar die - vreemd genoeg - nog steeds werkte. Zijn toevluchtsoord, de plek waar hij vanzelf gelukkig werd, alleen maar door er te zijn. Meer thuis dan thuis. Hij zou er voorgoed gebleven zijn, als hij niet bang in het donker was geweest.

Hij voelde zich zo rot dat hij het bijna niet verdroeg. De afgelopen dagen werd hij heen en weer geslingerd tussen smart en woede, maar zijn woede was geen partij voor zijn enorme smart. Tranen waren nooit veraf. Hij moest iets doen om zijn vijver te redden. Maar wat? Hoe?
    "Er klopt beslist iets niet," zei Harm Harmsen, die een lichtblauw, verfomfaaid kostuum droeg, met een witte strohoed. Hij zag er helemaal niet beroemd uit, vond Thomas, meer zoals een van die mannen die om muntjes bedelden in de ondergrondse.
    "Voel jij het ook?" zei een andere man.
    "Absoluut."
    "Wat kan het zijn, Harm? Enig idee?"
    "Niet echt, maar het voelt groot aan. Catastrofaal."
    "Noem eens iets."
    De oude man grijnsde, meer in zichzelf dan naar iemand in het bijzonder.
    "Kies maar uit. Er is weinig wat we niet verziekt hebben. Je kunt zo een tiental rampen verzinnen. Krijg, honger, ziekte, klimaatwoelingen, atoomsurprises, uitgeputte grondstoffen, economische blunders. Keus te over bij de invulling van onze ondergang. Het zou me verbazen als wij mensen niet tot de stomste schepsels in het universum behoren."
    "Er is echt iets vreemds aan de hand," zei een van de vrouwen. "Het lijkt zelfs stiller dan anders."
    Dat kon Thomas verklaren. Het vliegverkeer was minder. Hij had veel aan vliegtuigspotten gedaan, eerder dat jaar, en kende de dagelijkse vliegbewegingen uit zijn hoofd. Er was geen enkele binnenlandse vlucht geweest tijdens hun verblijf. Alleen maar buitenlandse. Hij wou het dolgraag zeggen, maar vertrouwde zichzelf niet. Hij ging waarschijnlijk als een bezetene stotteren. Vol ergernis om zichzelf stond hij op en dwaalde weg. Terug naar het hoofdgazon. De veiligheidsman keek hem peinzend aan.
    "Ik ga m'n zusje zoeken," zei Thomas. "Ze is weggelopen."
    "Oh," zei de bewaker, verbaasd.
    "In hemelsnaam, kerel!" schreeuwde Harmsen uit de verte. "Het is maar een jochie. Laat hem nou toch. Je kunt hem later altijd nog neerschieten."
    De wachter grijnsde schaapachtig en stapte opzij. Thomas bedankte hem. Bij hoge uitzondering was hij blij dat hij klein genoeg was om zo onschuldig te lijken. Toen hij de hoek omsloeg, zag hij Annie bijna gelijk, scharrelend tussen de rododendrons, maar hij deed net of hij haar niet zag en liep door. Het gazon aan de voorkant had ook een vijver, vele malen groter dan de zijne. Hij wandelde erheen.
    Alles was onberispelijk onderhouden. Glashelder water. Drijvende bladeren zo groot als borden. Waterlelies. Kleurrijke vissen met brede wuivende vinnen en staarten. Maar alles leek onecht, kunstmatig, alsof het uit de computer kwam. Hij ging aan de rand zitten, in het kortgeknipte gras dat aanvoelde als tapijt. Er dreef een soort hondenhok in het midden van de vijver. Leeg. Hij ging zich nog ellendiger voelen. Zijn vijvertje was tien keer leuker dan dit meer. Veel levendiger ook. Hier viel weinig te zien, behalve die grote, langzame vissen.
    Hij hoorde een vliegtuig naderen. Een Boeing 747. Een blik op zijn horloge vertelde hem dat het vlucht 441 uit Parijs was. Geen twijfel mogelijk. Hij keek omhoog toen het overvloog, grijnzend bij het zien van het vertrouwde logo van Air France, maar versomberde gelijk, bij de herinnering aan zijn vliegtuigspotten. Nog zo'n groot debacle in zijn kleine leven.

Vorige winter kreeg hij zo genoeg van het alleen zijn dat hij besloot drastische maatregelen te nemen. Het leek hem handig onderaan te beginnen. De sufste kinderen op school waren zonder twijfel de Vleutense Vliegeniers. Een club van onbedaarlijke minkukels die hun weekeinden rondlummelden op de luchthaven om vliegtuigen te spotten. Een onooglijk stel, onder aanvoering van de roodharige, spichtige en brillende Paul. Ze werden vrijwel doorlopend uitgelachen, maar leken enorm veel lol uit hun spotternij te putten, altijd opgewonden onder elkaar pratend over hun vliegtuigen, blijkbaar ongevoelig voor de schimpscheuten van de minder misdeelden. Thomas dacht dat hij, zelfs als stotterende dwerg, een kans moest hebben op een plaats in hun gezelschap. Dus besteedde hij veel aandacht aan zijn plan om een van hen te worden. Hij snuffelde de ganse winter in boeken en websites en zat bijna dagelijks op het dak met een verrekijker, vaak opgevouwen in de duiventil van de heer Uyterwaal als het regende, om naar vliegtuigen te kijken en te luisteren. Hij werd een bedreven vliegtuigspotter. Te bedreven, naar bleek.

Op zijn eerste dag moest hij bewijzen dat hij goed genoeg was voor de verheven status van een Vleutense Vliegenier. De toets was eenvoudig. Bij de nadering van een vliegtuig riep de secretatis van de club, die de stand moest bijhouden, "doel in zicht" en dan konden de anderen een naam roepen zodra ze het vliegtuig dachten te herkennen. De eerste die het goed zag, kreeg een punt. Thomas moest zich meten met de grote Paul zelve en vier anderen. Hij was zo gretig dat hij de namen uitschreeuwde voordat de secretaris zelfs maar uitgesproken was. Hij ging zo volledig op in de toets dat hij alles om zich heen vergat en, tijdens een pauze in het verkeer, zo'n 30 minuten later, opgewekt vroeg hoe hij het gedaan had. "Nieuwe aspirant 14 goed," zei de secretaris. "De anderen .... nul." Thomas straalde. Met vlag en wimpel geslaagd. Toen pas bemerkte hij de norse koppen om hem heen. Met één klap had hij zijn toekomstige vriendjes in aartsvijanden veranderd. Ze vertrokken zonder iets te zeggen. Ontgoocheld bleef hij achter, maar een tijdje later, mistroostig en uitgestoten ronddwalend voorbij de landingsbanen, vond hij zijn paradijs.
    Hij glimlachte bij die herinnering en keek op. Voorbij de vijver glooide het gazon nogal steil omlaag naar een rij hoge bomen, met puntige bladeren, in felle, metaalachtige herfstkleuren, goud, brons en koper, gedempt rinkelend in een opstekende bries. Ze vormden een rusteloze zoom onder het uitzicht op de rivier. Aan de overkant lagen een paar oorlogsschepen gemeerd. Een maritiem museum. Hij was er een keer geweest. Saaie boel. De schepen waren aan de binnenkant grotendeels leeggehaald. Er waren maar een paar ruimtes gespaard gebleven. Hoewel hij nooit veel belangstelling voor schepen had gehad, merkte hij nu toch iets vreemds. Ze zagen er anders uit. Hij haalde zijn miniverrekijker tevoorschijn. Een peperduur ding, zoethoudertje van zijn moeder. De bewakers zouden denken dat hij een spion was, als ze hem ermee zagen. Hij richtte de kijker op de schepen. Tot zijn verbijstering waren ze heel anders dan de hulken die hij bezocht had. Dit waren moderne schepen, volledig uitgerust en bemand. Hij zag zelfs matrozen bezig kanonnen en raketwerpers uit te pakken. Ze waren blijkbaar met een oefening bezig.
    Terwijl hij het drukke gedoe op de verre schepen bestudeerde, hoorde hij een klaaglijk stemmetje zijn naam roepen. Annie. Gewoonlijk liet hij haar een tijdje lekker roepen. Dat maakte haar gezeglijker als hij eindelijk opdook, maar dat durfde hij nu niet. Hij had immers gezegd dat hij haar aan het zoeken was.
    Hij vond haar bij de rododendrons, bedekt met rode en witte bloemblaadjes.
    "Ik wil nu mijn ijsje," zei ze.
    Hij pakte haar hand en leidde haar terug naar het terras. Ze boften, want een man in een zwart kostuum en een witte doek over zijn onderarm was juist bezig drankjes uit te delen en vroeg hen gelijk wat ze wilden.
    "IJs," zei Annie, "Heel veel."
    "Natuurlijk, mevrouw," zei hij, met een knipoog naar Thomas. "En meneer?"
    "Een cola, alstublieft."
    "Komt eraan meneer." De man liep heel langzaam weg.
    Ze gingen zitten. Thomas probeerde zijn gedachten te ordenen. Hij moest een soort verzoek voor de president opstellen, zodat die zou begrijpen hoe belangrijk de vijver voor Thomas was. Nadenken viel echter niet mee, vanwege het gepraat om hem heen. De anderen begonnen ongeduldig te worden, humeurig, met veel stemverheffingen.
    "Dit begint me danig de keel uit te hangen. Wat is er toch aan de hand?"
    "Vreemd is het zeker."
    "Het is iets groots. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen."
    "Als dat zo is, hoe kan het ons allemaal ontgaan zijn? Hadden we niet iets moeten merken? Iets ongewoons?"
    Thomas spitste zijn oren. Hij wist iets ongewoons. Hij wilde het dolgraag zeggen, maar hij ging natuurlijk stotteren, alles bederven. Beter van niet. Vlak daarop, eigenlijk ongewild, opende hij zijn mond.
    "Ik-k-k heb iets g-g-g-gezien," stamelde hij. "V-v-reemde v-v-vliegtuigen. Overal vandaan." De anderen vielen stil en staarden hem aan. Enkelen grijnsden spottend. Alleen meneer Harmsen keek hem geboeid aan. Maar de anderen maakten hem zenuwachtig en zijn volgende zin wilde niet komen.
    "Ik-k-k-k-k .... t-t-t-t," ging hij, vuurrood wordend. Toen iemand begon te lachen, verdroeg hij het niet langer. Hij sprong op en rende weg, zonder nadenken, de verkeerde kant op, zodat hij bijna tegen de glazen wand botste. Daar bleef hij maar staan, gezicht naar het glas, zichzelf vervloekend. Hij kon ook niks. Ondanks zijn ergernis merkte hij, tussen de deinende bladeren van de beuk, dat een van de bruggen over de rivier helemaal leeg was. Ook dat was vreemd. Normaal kropen de auto's van weerszijden bumper aan bumper over de brug.
    "Thomas?" vroeg een plotse stem achter hem. Verschrikt draaide hij zich om. Het was Harmsen, grijnzend, rimpelig, gemoedelijk. Daar kalmeerde Thomas wat van.
    "Gaat het een beetje?" vroeg Harmsen.
    Thomas knikte.
    "Denk je dat je tegen mij kunt praten? Heel langzaam?"
    Weer knikte Thomas.
    "Een stille hoofdknik is hier een beetje tegenstrijdig," zei Harmsen, met een grijns. "Vertel eens van de vliegtuigen."
    "Ik-k-k-k was een v-v-v-vliegtuigspotter. Ik-k-k-ken v-vliegtuigen. Luchtvaartmaatschappijen. D-d-de laatste dagen komen er vreemde vliegtuigen uit vreemde landen. Cuba, Polen, Vietnam."
    "Wat is daar zo raar aan?"
    "Ze hebben niet de vliegtuigen die ervandaan komen. "
    "Zo? Dat is zeker vreemd. Wat voor vliegtuigen zijn het dan?"
    "Militaire vliegtuigen in de kleuren van burgervliegtuigen."
    "Goeie genade," Harmsen werd bleek. Heel erg bleek. Hij slikte zichtbaar. "Weet je dit allemaal zeker?"
    Thomas hoorde een vliegtuig naderen. Onmiskenbaar.
    "Er komt een Hercules C-130 achter me binnen. Dat is een viermotorige turboprop."
    De oudere man keek, zijn ogen samenknijpend. Het kostte hem veel tijd om de machine te herkennen. "Je hebt gelijk," zei hij tenslotte. "Jij weet van vliegtuigen. Goed gedaan, jochie."
    Precies op dat moment ontstond er wat beroering achter hen. Een andere man had zich bij hun groepje gevoegd. Harmsen haastte zich terug. Thomas volgde langzaam. De nieuwkomer was een grote vlezige man, die overdadig zweette, in hemdsmouwen met stropdas, jasje over een arm gevouwen. Een enorme camera bungelde voor zijn buik. Hij praatte luid, opgewonden.
    "Verdomd benzinestation. Geen druppel te koop. Uitverkocht. Nou vraag ik je."
    "Geen benzine?" vroeg Harmsen, uit de verte.
    De nieuwkomer knikte zo heftig dat de zweetdruppels in de rondte vlogen.
    "Helemaal niks."
    "O, mijn god," kreunde Harmsen. "Dat is het. De olie is op."
    De anderen keken hem met gemengde reacties aan. Sommigen leken geschokt, anderen grijnsden alleen maar.
    "Doe niet zo idioot," zei een van de vrouwen.
    "Was dat maar waar," zei Harmsen. "Het past allemaal. Ik hoorde een paar weken geleden al geruchten. Besteedde er geen aandacht aan. Welkom bij de apocalypse, dames en heren. De terugtocht naar de donkere middeleeuwen is begonnen."
    "Ik geloof er niks van. Er zouden toch zeker van te voren waarschuwingen geweest zijn, noodsignalen, aankondigingen, bezuinigingen, rantsoeneringen?"
    "Wat zou dat geholpen hebben? Alleen maar de chaos vergroten en verdiepen. Nee, dit is precies hoe het moest gaan. Die jongeman ...," hij draaide zich half om en wees op Thomas, "... heeft vreemde vliegtuigen zien binnenkomen. Troepentransporten vermomd als gewone burgerluchtvaart. Hebben jullie die oorlogsschepen daar beneden niet gezien? Die worden klaargemaakt om in actie te komen."
    "Wat voor actie? Tegen wie moeten ze dan vechten?"
    "Tegen ons," zei Harmsen. "Ze gaan de grote steden vergrendelen."
    "Maar dat is toch waanzin. Volkerenmoord. De steden kunnen zichzelf niet voeden."
    "Juist. Dat is precies de bedoeling."
    "Probeer je ons wijs te maken dat we massaal worden verhongerd door onze eigen overheid?"
    "Nou en of." Zijn stelligheid ontlokte een furieuze uitbarsting.
    "Lulkoek."
    "Je bent gestoord."
    "Ja, volkomen geschift."
    "Denk nou na," antwoordde hij zacht. "Het alternatief is vele malen erger. Als je miljoenen wanhopige stedelingen op het land loslaat, veroorzaak je totale anarchie. Dit is de enige manier om nog wat hoop voor de overblijvers te behouden."
    "Ik weiger het te geloven."
    "Let maar op. Die vliegtuigen hebben buitenlandse troepen aangevoerd, om te voorkomen dat onze soldaten moeite krijgen met het neerschieten van hun eigen mensen. Die zitten nu waarschijnlijk ergens in Moskou of Johannesburg."

Thomas was achterop geraakt. Expres. Hij wilde niet opnieuw uitgelachen worden. Hij hoorde alleen maar flarden van het gesprokene, begreep alle opwinding niet. Olie op? Apocalypse? Donkere middeleeuwen? Vergrendelde steden? Wat betekende dat allemaal? Hij snapte het niet, maalde er ook niet om, al vond hij Apocalypse een mooi woord. Hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Wat moest hij nou toch met Gwen? Hij glipte weg om na te denken. Slenterend langs de borders voor het huis, raakte hij de rozen telkens met een vingertop aan. De meeste bloemblaadjes lieten meteen los. Toen hij een open venster passeerde, werd zijn aandacht getrokken door een vreemd, snotterig geluid. Hij keek op. Een man stond in de raamopening, met gestrekte armen steunend op de vensterbank, hoofd zo diep gebogen dat zijn kin bijna zijn borst raakte. Zijn schouders schokten. Huilde hij? Thomas stopte en staarde. Hij had nooit eerder een volwassen man zien huilen. Plotseling hief de man zijn hoofd, zijn gezicht vertrokken in een monsterlijke grimas, die Thomas deed terugdeinzen. Toen de man hem gewaar werd, richtte hij zich op en dwong zijn gezicht in een fletse grijns.
    "Wat is er, meneer?" vroeg een vrouwelijke stem vanuit de kamer. De vrouw die Harmsen had aangesproken met Penny verscheen en wierp Thomas een vernietigende blik.
    "Wat moet jij hier? Vort! Scheer je weg naar de anderen."
    De man stak bezwerend een hand op.
    "Nee Penny, niet doen," zei hij. "Het is goed. Het geeft niet." Een warmere glimlach verving de gepijnigde grijns.
    Toen pas herkende Thomas hem. Het was de president zelf.
    "En jij bent?" vroeg de machtige man.
    Thomas haalde heel diep adem. Dit was zijn kans. Dit was zijn moment. Nou geen gestotter. "Ik-k-k... ben een kleine redacteur," zei hij.
    "Allicht," zei de president. "Jij hebt die prijs gewonnen. Knap gedaan hoor."
    "I-k-k-k wil u wat v-v-v-vragen ..."
    De man zuchtte. Hij zag er vreselijk moe uit.
    "Vraag maar."
    Gelukkigerwijs was Thomas zo opgewonden als hij maar kon zijn, dus slaagde hij erin zijn gestotter te bedwingen.
    "Het g-g-gaat over mijn vijver. Die is geweldig. Hij was er slecht aan toe, maar ik heb hem weer beter gemaakt, elk weekend, maanden lang. Nou is het net een klein paradijs. Met varens en een wilg vol kleine vogeltjes en er zijn vissen en kikvorsen en een grote, slome pad en de mooiste libel van de hele wereld. Echt waar. Ze is als een rode diamant. Een levende robijn. Ik wil alles doen om mijn vijver te redden, alles, mijn prijs afstaan, keihard werken, alles, maar de stad groeit door en er ligt een vreselijke hoop zand om mijn vijver te bedekken en dan gaan al mijn beesten dood en ik weet niet hoe ik ze kan redden, vooral mijn libel niet... enne ... enne ..." Hij was de draad kwijt. Zijn ene grote kans en hij was hem aan het verprutsen. Tranen begonnen zijn ogen te vullen. Hij moest een paar keer slikken om zichzelf te vermannen.
    Penny verscheen weer in beeld. "Meneer de president, u bent over twee minuten aan de beurt. Hier hebt U geen tijd voor."
    "Reken maar van wel," antwoordde de president, met een hoofdknik naar Thomas. "Ga door, jongeman."
    "Nou, ikke... ik hou van mijn vijver. Ik weet heus wel dat het niet veel voorstelt. Het is maar een heel klein plasje met een paar visjes, twee kikkers en een pad. Maar ik hou van ze. En ik zal ze vreselijk missen. Het is meer thuis dan thuis. En omdat u de president bent en zo, dacht ik dat u de stad misschien kunt tegenhouden."
    De oude man keek hem wat slaperig aan. "Vijver, varens en een robijnrode libel," mompelde hij. "Ja, beslist, dat lijkt erop." Hij strekte een hand uit en gaf Thomas een klopje op zijn kruin. "Maak je maar geen zorgen, jochie. Die stad groeit geen millimeter meer. Dat beloof ik je."
    Thomas kon zijn oren niet geloven.
    "Echt waar?"
    De president knikte. "Echt waar," zei hij, geen acht slaand op het geruk van de vrouw aan zijn mouw.
    "O dank u wel, meneer de President. Dank u wel."
    Eindelijk slaagde de vrouw erin de president terug te trekken.
    "Ze zitten te wachten, meneer. U hebt nog 60 seconden." Ze wierp Thomas nog een giftige blik.
    Hij grijnsde breeduit terug. Gered! Hij had het voor elkaar! Potdorie. Het was gelukt. Als bij toverslag was al het ongerief, alle spanning, alle woede, het hele ellendige gevoel verdwenen. Verdampt. Hij zonk op zijn knieën en begon te huilen. Hij brulde het uit, maar het kon hem niet schelen, zielsgelukkig. Door en door blij. Al zijn kleine vriendjes waren veilig. Gered dankzij hem. Hij sprong op en begon te rennen en te springen, terug naar de anderen. Hij ging het Harmsen vertellen. Iedereen.

Toen hij het terras bereikte, waren alle grote mensen verdwenen. Annie was de enige achterblijver, achter een bord vol ijs, waar ze met een grote, glimmende lepel in zat te porren. Even was hij bedremmeld. Hij wilde zo graag zijn verhaal aan iemand kwijt. Behalve aan Annie, natuurlijk.
    Hij ging aan haar tafel zitten. Ze zat het ijs met volle lepels naar binnen te werken, zo snel als ze kon. "Mag ik wat?" vroeg hij. Ze vouwde direct haar armen om het bord heen.
    "Nee, het is allemaal van mij."
    "Dan niet."
    
Bevrijd van alle spanning besefte hij ineens hoe moe hij was, na al zijn slapeloze nachten. Hij vouwde zijn armen over elkaar op het tafelblad, legde zijn hoofd erop en sloot zijn ogen, luisterend naar het geritsel van de beukenbladeren in de gestaag aanwakkerende bries. Hij begon juist weg te doezelen, toen de anderen terugkeerden, bleek en langzaam. Niemand sprak. Een van de vrouwen snikte.
    Thomas sprong overeind om ze het goede nieuws te vertellen, maar hun houding maakte hem duidelijk dat dit niet het juiste moment was. Zijn ogen zochten Harmsen. Hij liep helemaal achteraan en zag er iets minder verslagen uit dan de anderen. Thomas liep op hem af.
    "Ah, jonge man," zei hij, met een vreemde glimlach, vriendelijk maar somber. "Heb je het gehoord? De stad is verloren."
    Thomas knikte heftig. "Ja, de president heeft het beloofd."
    Harmsen fronste zijn wenkbrauwen, maar ging er niet op in. "Heb je een plek om naar toe te gaan?"
    "Natuurlijk. Thuis."
    "In de stad?"
    "Ja."
    "Kun je nergens anders heen?"
    Thomas schurkte zijn schouders. Wat een rare vraag.
    "Misschien," zei hij, aarzelend. "Opa is er ook nog. Een paar straten hiervandaan."
    "Uitstekend. Waarom breng je je zusje daar niet heen?"
    "Dat gaat niet. Ik moet naar mijn vijver."
    "Je vijver?"
    Thomas legde het uit.
    Harmsen moest ervan grinniken. "Wel, heb ik ooit ..." zei hij. "Maar toch. Er komen wat problemen in de stad. Je kunt maar beter een paar dagen uit de buurt blijven. Neem je zusje maar mee naar je grootvader, dan let ik wel op je vijver. Ik controleer wel of alles in orde is. Dat kan trouwens niet missen, als de president het zelf gezegd heeft."
    "Wilt u dat echt doen?"
    "Zo waar als ik leef," zei de man, met een vreemde bibber in zijn stem. "Ga nou maar gauw."
    Thomas ging terug naar Annie. Ze had het ijs bijna op, maar haar lepeltempo was danig gezakt. Ze gebruikte een van haar handen om haar hoofd te ondersteunen en de andere om in het smeltende ijs te roeren. Toen ze merkte dat Thomas eraan kwam, begon ze meteen weer sneller te lepelen. He grijnsde erom. Ze was echt vreselijk.
    Hij ging tegenover haar zitten.
    "Hoe zou je het vinden om naar opa te gaan?"
    Ze keek op, argwanend, haar bord dichter naar zich toe trekkend.
    "Opa is leuk," zei ze. "Maar waar is mam?"
    "Weet ik niet," zei Thomas. Kon hem niet schelen ook.
    "Okee," zei ze, hem recht aankijkend, een kleine, ongewone glimlach op haar besmeurde lippen. Plotseling schoof ze haar bord naar hem toe. Hierin lag alleen nog een klein, kleurrijk plasje met een paar kleine klontjes smeltend ijs.
    "Je mag de rest hebben," zei ze.
    Hij grijnsde.
    "Je verwent me."
    "Tot je dienst," zei ze, een beetje pompeus, en liet een harde boer. "Oeps. Sorry."
    Ze sprong overeind.
    "Op naar opa."
    "Mag ik mijn ijs niet eerst opeten?"
    "Nee."
    Thomas liet zijn lepel vallen. Met een diepe zucht stond hij op om zijn zusje te volgen. Maar een paar seconden later grijnsde hij alweer. Vandaag had hij zijn vijver gered. Niets kon dat nog bederven.





Gieten, 12 juli 2009