Toen ik ongeveer negen jaar oud was, bracht ik een zomervakantie aan zee door, in Domburg, samen met mijn moeder. We logeerden in een goedkoop hotel. Er waren barsten in de wasbak, roestige kranen die kreunden en vloerplanken die onheilspellend kraakten bij iedere stap. Onze kamer lag op de eerste verdieping, met een balkon aan de straatkant. Die straat was een teerweg die in de duinen doodliep. Het trottoir eindigde bij ons hotel. Verderop grensde de weg direct aan braakliggende grond en de tuinen van een paar landhuizen en een heel groot, heel sjiek hotel.

De eerste week verliep heel rustig en plezierig. Iedere dag een wolkenloze hemel, zodat we altijd naar het strand konden. Er stond een machtige branding, die week, zodat het heerlijk spelen was in zee. De grote golven tilden je meters omhoog en droegen je mee naar het land. Het viel niet mee om precies de juiste plek in de branding te vinden, daar waar de golven op het punt van breken stonden. Niet te ver weg, want dan tilden ze je alleen maar een beetje omhoog, maar ook niet te dichtbij, want dan braken ze bovenop je en smakten je tegen de schelprijke zeebedding, wat gemeen pijn deed. Ik had net leren zwemmen maar moest van mijn moeder toch een luchtbandje om. Een knalrood geval, dat na een paar verkeerd ingeschatte golven lek raakte en als een gekrompen rokje om mijn middel hing. Toen mocht ik het eindelijk van mijn moeder afdoen. Zelf bracht zij haar dagen door in zo'n ouderwetse strandstoel, een hoge nis van riet, waarin ze Engelse kranten en Amerikaanse filmbladen zat te lezen en filtersigaretten rookte. Af en toe kwam ze eruit om mij met zonnebrandolie in te smeren en om op een handdoek te zonnen. Als enig kind wist ik mezelf uitstekend te vermaken. Ik groef griezelig diepe kuilen, bouwde enorme zandkastelen en las stripverhalen, telkens onderbroken door een verfrissende plons in de onstuimige zee.
    Het leken twee totaal verschillende werelden. De zee scherp en helder, donker en koud; het strand heiig, gloeiend en warm. Mijn moeder leek altijd de zon achter zich te hebben, zodat ik me haar herinner als een duistere, wazige figuur. Nu en dan mocht ik versnaperingen halen, ijs en limonade en soms sigaretten, wat ik een leuk werkje vond. Al kon het tijdrovend zijn omdat het altijd druk was bij de strandtent en ik als kleine jongen geen schijn van kans maakte in het gedrang voor de toonbank totdat een meedogende volwassene de aandacht op mij vestigde.
    "Dit kleine kereltje staat al een hele tijd te wachten," zei zo iemand dan, wat me vreselijk deed blozen maar ook meteen mijn boodschap deed uitroepen. Vol trots keerde ik dan naar mijn moeder terug, likkend aan mijn waterijsje, met de flesjes limonade in de andere hand en het pakje sigaretten achter het elastiek van mijn zwembroek.

Op de terugweg naar het hotel stopten we altijd bij een terras waar ze verrukkelijke ijsjes serveerden. Een ijzeren bokaal vol vruchtjes, drie bolletjes romig ijs en een dikke toef slagroom. Ik genoot er bijkans spinnend van. Eten deden we in het sjieke hotel. De eerste avond hadden we in ons eigen hotel willen eten, maar de smurrie die we daar voorgeschoteld kregen deed zelfs mijn moeder kokhalzen. Zeer tot mijn voldoening, want toen ik als eerste een hap nam en de rotzooi gelijk uitspuwde, had ik vreselijk op mijn kop gekregen. Nu richtte mijn moeder haar woede op de ober. Ze was klein en tenger, en gewoonlijk overdreven vriendelijk tegen iedereen, maar zodra ze zich bekocht voelde, werd ze een furie. Ze schold de ober de huid vol, half in het Engels, zodat de arme sloeber amper begreep waar ze het over had, maar de bedoeling was duidelijk.
    We gingen diezelfde avond naar het sjieke hotel. Daar, in een zaal vol wit gedekte tafels, met blinkend zilver en fonkelend kristal, aten we vorstelijk van borden met een goudkleurig randje. Overdreven veel indruk maakt dat trouwens niet. Vanaf het moment dat ik rechtop kon zitten, hadden mijn ouders me al uit eten genomen.

Op een avond werd in datzelfde hotel een kinderfeest gehouden. Mijn moeder bracht me erheen. Het feest vond plaats in een balzaal die wel diepe indruk op me maakte. Een enorme ruimte met een glimmende houten vloer, marmeren pilaren, monumentale spiegels, goudkleurige ornamenten en kristallen luchters. Op een klein podium zat een vijfmans orkest kinderliedjes te spelen. Ik waande me in een paleis.
    De eerste spelletjes zeiden me weinig. Eerst iets met een zakdoek, daarna een stoelendans. Ik hield me afzijdig, ondanks driftige gebaren van mijn moeder om toch vooral mee te doen. Zij en andere ouders zaten en hingen aan een rokerige bar in een hoek van de zaal. Na een uurtje ofzo werd het menens. Er ging gedanst worden. Ierse volksdansen. Ik had nog nooit gedanst, hield me dus nog meer op de achtergrond, doodsbenauwd dat ik gedwongen zou worden tot het doen van dingen die ik toch niet zou kunnen. Een lange magere man in zwarte pandjesjas en een mooie, maar droef kijkende mevrouw in een lichtblauwe jurk met griezelig dunne benen deden de danspassen voor.     Ik maakte me zo klein mogelijk. Ofschoon geestelijk een voorlijk ventje, was ik lichamelijk een nul. Ik kon niets. Schoolgymnastiek was een wekelijkse ramp. Men kon het zo simpel niet maken, of ik kon het niet. Zulks tot groot leedvermaak van mijn medeleerlingen, die kraaiend van plezier toekeken hoe ik uit de ringen viel, tegen springtoestellen aanbotste, als een mistroostige aap onderaan het klimtouw bungelde, voorwerpen op mijn tenen liet vallen, over mijn eigen benen struikelde, ballen alle kanten opgooide behalve de goede, kortom, alles miste wat ik moest raken en alles raakte wat ik moest missen. Geen wonder dus dat ik niet stond te dringen om ingewikkelde danspassen uit te proberen. Toch oefende het gebeuren een vreemde aantrekkingskracht op me uit. Misschien kwam het door mijn Schotse afkomst. Keltische volksmuziek deed mijn bloed altijd sneller stromen. In het begin stond ik kleintjes achteraan en keek afgunstig toe hoe de brutalere kinderen de dansvloer oprenden. Een even aantal jongens en meisjes stelde zich in twee groepen tegenover elkaar op. Op de zwierige muziek begonnen de groepen eenvoudige figuren te dansen, waarbij geregeld van partner gewisseld werd. Het was kostelijk. De muziek was opzwepend, er werden veel fouten gemaakt, veel gelachen. Ik hunkerde mee te doen, al mijn onhandigheid ten spijt.

Toen, voor de eerste keer in mijn korte leven, versnelde mijn hartslag bij het zien van vrouwelijk schoon. Dubbelop zelfs, want het was een tweeling. Twee kleine, goudblonde meisjes, gebruind door de zon, sprankelend van plezier. Ze droegen witte bloesjes met kant versierd, korte rokjes in een groene schotse ruit, met een sjerp van dezelfde kleur, witte sokjes en zwarte lakschoenen. Ze lachten bijna doorlopend. Ze waren wondermooi. Hun grote, blauwgroene ogen leken licht te geven in hun gebronsde gezichten. Lippen zachtrose, vochtig glanzend, tanden hagelwit. Zelden bracht de schepping een groter meesterwerk voort, want ofschoon ze sprekend op elkaar leken, verschilden ze ook op een subtiele, zinsbegoochelende manier. De ene was net iets slanker, langer en verfijnder, het gouden haar sluik en zwierig. De ander ronder, kleiner, lieflijker, haar gouden dos vol en springerig. Ze sprankelden als priklimonade. Mijn schroom verdween op slag. Met die meisjes wilde ik dansen, al maakte ik mezelf belachelijker dan ooit.
    Ik drong tussen de andere twijfelaars naar voren en toen de muziek stopte en een paar jongens van de dansvloer afkwamen, rende ik naar voren en ging pardoes voor de kleinste van de tweeling staan. Ze lachte me stralend toe. Ik stak mijn hand uit.
    "Ik ben Jan," zei ik, "En ik vind het aangenaam kennis met je te maken."
    Ze keek even verbijsterd naar mijn hand, barstte in schaterlachen uit, greep mijn hand stevig vast en zwengelde hem uitbundig op en neer.
    "Dag Jan, ik ben Joyce," zei ze. Ik wilde nog iets zeggen, maar de lange zwarte man maande tot stilte.
    "We gaan nu een Irish jig dansen. Mijn partner en ik doen het één keer voor en dan zijn jullie aan de beurt."
    De muziek begon. Een opzwepend deuntje. Het tweetal sprong en hupte, zwierde en zwaaide en draaide in het rond. Ik keek gebiologeerd toe. Dit was belangrijk. Ik moest en zou het kunnen. Na een paar minuten stopte het paar. We klapten allemaal in onze handen. De man grijnsde voldaan. De vrouw keek nog even droef als tevoren.
    "Nu jullie," zei de man.
    Ik  keek naar het meisje. Joyce. Ze glimlachte naar me. Ik glimlachte terug. De muziek begon. Ze begon te springen, van het ene been op het andere, de knie telkens hoog opheffend. Ik deed mee. En, wonder boven wonder, ik kon het meteen. En goed. Het ging vanzelf. Misschien was het de kracht van mijn eerste gevoelens van liefde. Want verliefd was ik. Tintelend van emotie. Ofschoon ik die avond met een dozijn meisjes danste, had ik alleen maar oog voor het tweetal. En, grappig genoeg, zij ook voor mij, dankzij mijn verbazingwekkende danskunst. Ik zag hoe andere jongetjes stuntelden, de tenen der tweeling beurs stampten tot zelfs de eeuwige lach van hun gezichten verdween in grimassen van pijn. Toen begonnen ze vals te spelen, sloegen partners over om maar met mij te kunnen dansen. En dan sprongen we weer glunderend om elkaar heen,  zwierden elkaar rond,  schaterlachend van plezier.
    Er werden houten zwaarden kruiselings op de grond gelegd. Joyce begon. Handen in haar zij, op haar tenen als een balletdanseres, danste ze de meest onmogelijke passen, van voor naar achteren, opzij en terug, in een razend tempo. Alle anderen keken toe, klapten in de handen. Toen ze klaar was, sprong ik roekeloos naar voren. Nooit had ik het gedaan, maar weer ging het vanzelf. Mijn voeten deden het werk, ze leken bezield met een eigen wil. Pure extase. De meeslepende muziek, mijn woeste, moeiteloze bewegingen, de bewonderende gezichten van mijn beide dames. Ik had het gevoel alsof ik kon vliegen, zweefde. Hemels.
    Jennifer, de slankere tweeling ging als derde. Zij bleek verreweg de beste. Vol kracht en gratie. Ondanks de inspanning hield ze haar lippen in een kleine, minzame glimlach, die haar fijngesneden gezicht wat hooghartig maakte, als een vorstin, bewust van haar aanzien.

Na die dans bleven de meisjes om beurten bij me. Er volgden wat simpele dansen voor de minder begaafde kinderen. Foxtrots en walsen, waar ik weinig van kon, maar door de meisjes doorheen gesleept werd. Telkens had ik een andere tweeling in mijn armen. Ze leken zo op elkaar dat het meer een wisseling van stemming dan een verandering van persoon leek. Het voelde anders dan alles wat ik voordien ooit had gevoeld (of nadien ooit zou voelen). Mijn moeder knuffelde niet. Dus was ik niet gewend aan lichamelijk contact. En nu had ik plotseling deze aanbiddelijke kleine meisjes tegen me aan kroelen. Vooral Joyce was lijfelijk, hield mijn hand vast, stond dicht tegen me aan, streelde vluchtig mijn haren. Ik hield ze allebei heel omzichtig vast, alsof ze breekbaar waren. Ze roken heel lekker. De adem van Joyce zweemde naar pepermunt; die van Jennifer naar perziken. Hun kleren roken ook fris, hoewel de eerste vleugjes zweet merkbaar werden, wat op een vreemde manier nog prettiger was, intiem, echt, helemaal hen. We zeiden nauwelijks iets tegen elkaar, lachten en glimlachten alleen maar, sprakeloos van vreugde. Als de muziek stopte, lieten we niet los, maar bleven in onze danshouding staan, dicht bijeen, oog in oog, hijgend en zweterig tot de andere tweeling verscheen. Zaligmakend. (Konden zulke momenten maar bewaard worden, opgeslagen in een tijdkluis, om zo nu en dan, in barre tijden, tevoorschijn gehaald te worden en heel even de bittere smaak van volwassenheid te verdrijven met het gevoel weer een blij en zorgeloos kind te zijn. Hoeveel draaglijker zouden de donkere dagen dan niet zijn.] De tijd vloog voorbij. Ik genoot met volle teugen, maar werd geleidelijk ook wat onrustig. Ik wilde meer met die kleine meisjes, meer geven, meer krijgen, maar ik had geen flauw idee wat. Ze gaven me ook het gevoel dat ze wilden dat ik meer deed, keken me vaak een beetje vreemd vragend aan. Wat bedoelden ze? Wat moest ik nou toch?
    Toen, als bij toverslag, waren ze ineens verdwenen. Middenin een dans waarbij vaak van partner gewisseld moest worden, verloor ik ze uit het oog en kwamen ze niet meer terug. Ik snapte er niets van. Toen de muziek stopte, liep ik meteen van de dansvloer af. Ik dwaalde de hele zaal door, op een drafje. Nergens waren ze te bekennen. Ik raakte hopeloos bedroefd. Gekrenkt ook, vanwege door hun onbegrijpelijke lompheid. Ik had altijd geleerd dat je netjes afscheid moest nemen. Mijn aandacht werd getrokken door mijn moeder, die zat te zwaaien aan de bar. Ik liep naar haar toe. Ze zat een beetje wankel op haar barkruk. Haar lippenstift was wat uitgesmeerd, zodat ze een clownsmond had.
    "Waar heb jij zo goed leren dansen?" vroeg ze, in opperste verbazing.
    Ik grijnsde bescheiden.
    "Nergens," zei ik trots. "Het ging vanzelf."
    Mijn moeder klakte met haar tong.
    "Amazing," zei ze. "Maar now moeten we back naar de hotel. It's laat."
    Ik schrok. Weggaan zou zeker betekenen dat ik de tweeling niet meer zou zien.
    "Nog even, mam. Ik moet nog iets doen."
Ze keek me glazig aan. Ze had weer teveel gedronken. Dat kwam vaak voor. Niet dat ze stomdronken werd, maar tipsy, giechelig, in zichzelf monkelend.
    "Vooruit maar. But not too long."
    
Ik rende terug. Er werd weer gedanst, maar zonder de tweeling en hun rinkelend gelach was de sfeer omgeslagen. De pret was weg. De meeste kinderen stonden met verbeten, rood aangelopen hoofden te stuntelen. Ik liep radeloos rond, zoekend naar mijn verdwenen geliefden. Vreemde, ouwelijke gevoelens teisterden mijn binnenste: hunkering, gemis, onbegrip, vernedering en, ergst van al, de vrees iets miszegd of misdaan te hebben. Alles vaag en kleintjes, maar een voorproef van de woekerprijs der liefde, die later zo vaak en vergeefs betaald zou moeten worden. Nadat ik een kwartier lang de zaal had afgeschuimd, stond ik ineens tegenover mijn moeder.
    "We gaan," zei ze, op een toon die geen tegenspraak duldde. Ik knikte, droef maar ergens ook wel opgelucht. Zonder haar zou ik waarschijnlijk nooit met zoeken gestopt zijn. Buiten liepen we langzaam door de warme, donkerblauwe avond terug naar ons eigen hotel. Mijn moeder bleef maar kwebbelen over mijn gedans. Ik zei weinig terug. Ik wist geen raad met de overvloed aan gevoelens die door me heen raasden. Ik had er geen woorden voor, maar alles bij elkaar zorgden ze voor een akelig trekkende pijn, ergens diep in mijn borst.

De volgende dag werd de langste dag van mijn leven, vreemd volwassen ook. Ik was nog vol van de dansavond, zat maar te dromen van twee blonde, lacherige meisjes. Ik kon me niet voorstellen dat ik ze nooit meer zou zien. Dat zou niet eerlijk zijn. Ik had nog nooit in mijn leven zo genoten van het gezelschap van anderen. Dat wilde ik nog een keer meemaken, liever dan wat ook. Aan de ontbijttafel keek mijn moeder me vreemd aan. Ik deed alsof ik misselijk was.
    "Je hebt toch geen koorts, hè?" zei ze en legde, zoals altijd in zo'n geval, een hand op mijn voorhoofd. Op dat moment stond pardoes mijn zeevarende vader naast ons ontbijttafeltje. Mij groette hij nauwelijks, tegen mijn moeder zei hij kortaf dat hij haar moest spreken. Ze keek hem vernietigend aan en glimlachte naar mij.
    "Koorts heb je niet. Ga maar even naar de kamer, op bed liggen. Ik kom zo."
    Onder andere omstandigheden zouden mijn vaders dramatische opkomst en mijn moeders ijzige reactie me onthutst hebben. Nu ging het aan me voorbij. Ik had belangrijker dingen aan mijn hoofd dan het eeuwige gekibbel van die twee. Ik glipte van tafel en holde naar onze kamer, liep gelijk door naar het balkon. Mijn blik vloog naar het sjieke hotel. Het was een groot, wit gebouw, drie verdiepingen met rijen hoge vensters, een monumentale ingang met zuilen aan weerszijden. Ervoor lag een grindvlakte, waar een stuk of vijf auto's geparkeerd stonden. Er was niemand te zien.
    Ik ging zitten op een van de twee metalen stoeltjes die ons balkon ontsierden. Mijn hoofd reikte niet boven de balustrade maar tussen de spijlen door had ik toch een goed uitzicht op het hotel en de weg. Het wachten kon beginnen. Ik was ervan overtuigd dat de tweeling in dat hotel logeerde. Een andere verklaring voor hun plotse verdwijning was er niet. Mijn plan was even eenvoudig als geniaal. Ik bleef gewoon op de uitkijk zitten. De tweeling zou vast wel in het dorp moeten zijn. Ik zou ze van verre zien aankomen en ruimschoots de tijd hebben om naar beneden te rennen en ze quasi toevallig tegen te komen. Hoe dan verder? Geen idee. Dat zag ik dan wel.
    Het wachten begon. In het begin was ik erg rustig, volkomen overtuigd van de goede afloop van mijn plan. Na een uurtje of zo kwam mijn moeder het balkom op. Ik trok een zielig gezicht en zei dat het beter ging maar dat ik nog steeds heel erg misselijk was.
    "Zo misselijk dat je niet naar het strand kunt?" vroeg ze, met een spottende glimlach.
    Ik knikte ernstig, intussen een snelle blik opzij werpend, naar de ingang van het witte hotel, bang iets te missen.
    Haar glimlach verdween. Ze voelde weer aan mijn voorhoofd.
    "Toch ben je helemaal niet warm."
    Ik haalde mijn schouders op.
    "Oh well," zei ze. "Misschien ben je gewoon moe van gisteravond. Het past me wel als je hier wat langer blijft. Ik moet nog  wat praten met je vader."
    "Hebben jullie weer ruzie?"
    "Welnee, hoe kom je erbij?" vroeg ze, met een verbaasd gezicht.
    Ik kende haar. Ze loog, maar nu gaf het even niet.
    "Zomaar," zei ik, wegkijkend naar het hotel.
    "Malle jongen. Blijf maar braaf hier. Ik kom zo snel mogelijk terug."     Ze verdween.
    Ik slaakte een zucht van verlichting. Even was ik bang geweest dat ze van alles met me wou doen en mijn plan zou bederven. Nu kon ik weer rustig op wacht zitten.

De tijd verstreek. Langzaam bekroop me een gevoel van onbehagen. Wat als ze niet naar buiten kwamen? Wat als ze helemaal niet in dat hotel zaten? Ik verstijfde van schrik. Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht. Maar het kon best. Ik had zelf verzonnen dat hun raadselachtige verdwijning gisteravond moest betekenen dat ze in het hotel logeerden. Maar dat hoefde natuurlijk helemaal niet waar te zijn.  Ik sprong op.
    "Verdorie," riep ik uit. Wat moest ik beginnen? Als ze niet in het hotel zaten, konden ze overal zijn. Ik ijsbeerde zenuwachtig over het balkon. Het was trouwens best raar dat ze nog niet naar buiten waren gekomen. Iedereen ging met dit weer naar het strand. Zij natuurlijk ook. Anders waren ze ook nooit zo bruin geweest. Ik ging weer op mijn stoel zitten. In een paar uur tijd was ik bijna tien jaar ouder geworden, worstelde althans met dezelfde problemen die ik later, als puber, ook zo vaak zou tegenkomen. De onnavolgbare grillen van de vrouwelijke psyche. Ik keek op mijn horloge. Een afdankertje van mijn vader dat veel te groot was. Het was al elf uur geweest. Zo laat ging niemand nog naar het strand. De weg voor het hotel lag ook verlaten te blaken in de zon. Ik hield het niet meer uit. Ik moest op zoek. Even aarzelde ik. Mijn moeder moest altijd weten waar ik uithing. Ze werd heel zenuwachtig en boos als ze niet wist waar ik was. Maar dit was een noodgeval. Ik trok mijn beste kleren aan, zonder eigenlijk te weten waarom, een lange broek en wit overhemd. Misschien speelde ik met de gedachte om het hotel binnen te gaan. Ik weet het niet meer. In ieder geval wilde ik er op m'n paasbest uitzien. Ik probeerde ook mijn haar te kammen, maar ik had een springerige kruin bovenop mijn voorhoofd, die met geen tien kammen te bedwingen was. Met een laatste blik op het lege voorterrein van het hotel verliet ik het balkon en de kamer. Ik holde de trap af, doodsbenauwd dat ze voorbij zouden gaan in de tijd die ik nodig had om beneden te komen. Toen ik hijgend de straat oprende, keek ik haastig naar alle kanten. Er was in geen velden of wegen een levende ziel te bekennen.

Er heerste een diepe stilte buiten. Zelfs geen vogel liet zich horen. Alleen de wind liet een paar vlaggen voor ons hotel klapperen. Insecten snorden heel zachtjes in het struikgewas. Ik begon in de richting van het witte hotel te lopen. Het was broeierig heet. De weg liep iets omhoog, zodat ik het gevoel had door een warme brei te waden. Het zweet brak me uit. Bij de grindvlakte voor het hotel bleef ik staan. Het gebouw vertoonde geen enkel teken van leven. De ruiten weerkaatsten de blauwe lucht. Ook hier hingen wat vlaggen te klapperen in de wind. Ik stond in tweestrijd. Zou ik gewoon naar binnen gaan en vragen naar de tweeling? Het vooruitzicht alleen al deed mijn knieën knikken. Dat durfde ik natuurlijk nooit. Besluiteloos bleef ik wat staan dralen aan de rand van de grindvlakte, alsof het afgrond was. Toen liep ik langzaam terug. En ineens vloeide de spanning weg, leek het allemaal niet zo vreselijk belangrijk meer. Ik wilde eigenlijk wel weer naar het strand. Ik verlangde naar de zee, mijn golven. Ik zette het op een drafje terug naar ons hotel.

De kamer was nog leeg. Geen moeder. Ik pakte mijn stripboek van Superman en ging weer op het balkon zitten, in zo'n houding dat de ingang van het witte hotel precies boven mijn boek uitstak. Zo kon ik lezen en zou ik toch merken als er iemand naar buiten kwam. Dat was althans het plan, maar toen ik eenmaal aan het lezen was, keek ik nauwelijks nog op.

Daar eindigde mijn eerste romance. Ik wou dat ik er een mooi weemoedig einde aan kon breien, maar dat zou een leugen zijn. Het voorval ging als een nachtkaars uit. Mijn moeder kwam een uurtje later terug, verrassend opgewekt, en we gingen naar het strand. Ik speelde weer in de golven, mijn moeder zat in haar strandstoel en las haar Amerikaanse filmbladen, rookte, smeerde me af en toe in met zonnebrandolie. Op de terugweg aten we weer een ijsje op het terras. Het vooruitzicht van avondeten in het witte hotel was wel even spannend, maar ik wist dat ik ze niet zou zien. Dat was immers alle voorgaande avonden ook niet gebeurd. En zo ging het ook. Een paar minuten zat ik heel zenuwachtig om me heen te kijken, maar toen vergat ik het. De tweede week verliep weer even rustig en plezierig als de eerste. Als we 's avonds bij ons hotel kwamen, wierp ik eerst nog wel een blik in de richting van het witte hotel, maar zelfs dat deed ik de laatste dagen niet meer. De tweeling was uit mijn gedachten verdwenen, even volledig als op die gedenkwaardige avond uit mijn blikveld.